Tuinbonen

Rassen

De tuinboonrassen voor menselijke consumptie kunnen in twee groepen worden ingedeeld:

  • Rassen die na koken bruin worden en de typische enigszins bittere tuinboonsmaak bezitten. Deze rassen zijn bontbloeien en worden voor de verse consumptie geteeld. De navel van het zaad is of geel of wit. Bij de rassen met een witte navel worden twee typen onderscheiden: het Witkiem- en het Express-type. Het Witkiemtype is vroeg en geeft peulen met grote zaden. De planten worden 110 tot 130 centimeter hoog en de peulen 16 tot 20 centimeter lang met 4 tot 5 zaden per peul. De zaden zijn grijswit met witte navel. Het Express-type is wat later en geeft een fijnere peul. De planten worden 80 tot 100 centimeter hoog en de peulen 14 tot 16 centimeter lang met 4 tot 5 kleine zaden per peul. De zaden zijn grijswit met witte navel.
  • Rassen die na koken blank of groen blijven en de typische enigszins bittere tuinboonsmaak missen. Deze rassen zijn witbloeiend en worden voor de verwerkende industrie geteeld. Ze hebben echter een harde schil, waardoor ze voor diepvriezen ongeschikt zijn. Bij conservering in glas blijft de opgiet bij deze rassen helder. Bruinkokende rassen geven een troebele opgiet.
Rassen met zwarte navel, in dialecten soms boerentenen genoemd, (omdat de vorm van een tuinboon op een teen lijkt en de zwarte navel op een vuile nagel) zijn in Nederland nauwelijks nog in de handel. Een voorbeeld is het ras Leidse lange hangers.